Wat voor gevolgen heeft meritocratisch denken voor het onderwijs? En welke rol speelt het onderwijs in een meritocratische samenleving?
In grote lijnen kun je twee ontwikkelingen onderscheiden in het onderwijs die te maken hebben met meritocratisch denken. De eerste gaat over de economische waarde die er wordt gehecht aan hbo en universitaire -opleidingen. In een maatschappij waarin klimmen de belofte voor iedereen is, maar niet alle maatschappelijke posities evenredig gewaardeerd worden, wordt toegang tot hoger onderwijs de allerbelangrijkste doelstelling.
Daarnaast komt er een zekere maatschappelijk status kijken bij het wetenschappelijk opgeleid zijn, en die status is misschien nog wel belangrijker dan het financiële voordeel.
Een tekenend voorbeeld hiervan is het grote fraudeschandaal waarin delen van de Amerikaanse elite via een grootschalig fradeursbureau hun kinderen op onrechtmatige wijze op elite-universiteiten kregen. Het schandaal was zo omvangrijk dat de FBI zich ermee moest bemoeien. Het interessante hieraan is dat deze specifieke ouders hun kinderen niet alleen maar op een topuniversiteit wilden krijgen om financiële redenen: geld was voor geen van deze ouders het probleem. De echte reden zou best eens kunnen zijn dat ze hun kinderen de status en het gevoel van zelfvoldoening gunnen die horen bij wetenschappelijk opgeleid zijn. En dat gaat over meer dan alleen geld verdienen (Sandel, 2021).
Diploma’s behalen wordt zo een doel op zich. Het gaat vaak meer om het papiertje dan om de kennis en vaardigheden die je opdoet tijdens je schoolloopbaan of je geschikt bent voor wat je doet en of je er plezier uithaalt.
Ook in Nederland zie je hoe de race naar de top vorm krijgt. Er is een woekergroei aan bijlesinstituten en cito- en eindexamentrainingen. De uitgaven van ouders aan bijles, in de breedste zin van het woord, verdubbelden van 2007 tot 2015 (Centraal Bureau voor Statistiek, 2016). Deze toename is het sterkst in het voortgezet onderwijs; naar schatting maakt tegenwoordig 1 op de 3 gezinnen gebruik van betaalde hulp bij het schoolwerk. Daarbij is een groeiend gedeelte van de bevolking wetenschappelijk opgeleid: het aantal wetenschappelijk opgeleiden nam de afgelopen tien jaar toe met 20%. We gaan dus, met z’n allen, steeds meer ‘omhoog’ (Maslowski, 2020).
Op deze manier verworden universiteitsdiploma’s tot de heilige graal. En kinderen, ouders en onderwijskrachten uit Klassen voelen dat haarfijn aan, zelfs als ze nog nooit van het woord meritocratie gehoord hebben.
Als gevolg van deze opwaartse druk ontstaan steeds meer stress gerelateerde problemen bij kinderen en jongeren. Niet alleen dertigers en veertigers kampen meer en meer met burnouts, ook op universiteiten en zelfs middelbare scholen zie je dat kinderen steeds vaker uitvallen door stress of slaaptekort. Evy, de 15-jarige vwo’er uit de serie, slaapt nog maar vier uur per nacht omdat ze zoveel stress heeft van haar schoolwerk. Viggo’s klasgenoten huilen om een havo-advies en ook Viggo is in eerste instantie niet blij met zijn havo-vwo advies. Zijn ouders steunen hem en zeggen dat hij er blij mee moet zijn, maar zijn vader weet maar al te goed wat het is om in ambitie en concurrentie gevangen te zitten: hij zit al maanden thuis vanwege een burn-out. Zowel Evy als Viggo en zijn ouders lijken pas echt tot rust te komen als de pandemie toeslaat en het leven vanzelf gas terugneemt.
Daarnaast heeft meritocratisch denken nog een ander gevolg. Het onderwijs wordt hoofdverantwoordelijke gemaakt voor het oplossen van de kansenongelijkheid. Als elk kind maar hetzelfde goede onderwijs krijgt, heeft elk kind dezelfde kansen. Maar in werkelijkheid beginnen leerlingen al zo ongelijk, dat het voor het onderwijs vaak dweilen met de kraan open is. De invloed van de verschillen tussen kinderen is in sommige gevallen groter dan de invloed van het onderwijs op de kansen van kinderen. Het is dus niet zo dat ongelijkheid veroorzaakt wordt door het onderwijs en dat het onderwijs alle ongelijkheid de wereld uit kan helpen. Neem alleen de loon-ongelijkheid: zolang hoogopgeleiden zoveel meer verdienen dan lageropgeleiden, zullen mensen ernaar blijven streven om hoogopgeleid te worden.
Misschien lijkt alsof de boodschap van deze kennisbank net zo goed is dat het onderwijs alles moet oplossen. Ja, de focus van de kennisbank ligt inderdaad op wat er in het onderwijs moet gebeuren om kansengelijkheid te creëren, niet op de maatschappij als geheel. Maar, zonder als maatschappij in te zetten op het garanderen van gelijkere uitkomsten, wordt het onderwijs voor een onmogelijke taak verantwoordelijk gehouden. En dat is oneerlijk, vinden ook wij.
Want het onderwijs kan de maatschappelijke ongelijkheid niet alleen oplossen, hiervoor is een brede maatschappelijke verandering nodig. In mentaliteit, en daarmee ook in beleid. Het onderwijs kan alles binnen haar macht doen om gelijkere kansen te creëren, maar loopt daarbij ook tegen haar grenzen aan. Pas als de maatschappelijke ongelijkheid kleiner wordt, of in ieder geval stopt met groeien, dan kan het onderwijs haar rol als grote gelijkmaker écht vervullen. Of, een optimistischere visie, als het onderwijs, de politiek en de maatschappij de handen ineen slaan, dan kan er echt wat veranderen.