A Wat is er aan de hand?
Verwachtingen. We hebben ze allemaal. Van elkaar, van onszelf, van onze individuele en onze gezamenlijke toekomst. Het hebben van verwachtingen is een heel natuurlijk onderdeel van hoe wij mensen de wereld begrijpen en voorspellen. Ook in het onderwijs spelen verwachtingen een rol. Die verwachtingen die leraren van leerlingen hebben over bijvoorbeeld gedrag en wat leerlingen kunnen bereiken, vormen leraren door overtuigingen, vooroordelen, aannames. Ze kunnen bewust of onbewust en laag of hoog zijn. Het structureel hebben van verwachtingen die niet passen bij de werkelijke situatie kan schadelijk zijn. We weten namelijk dat lage verwachtingen een negatief effect hebben op prestaties, geloof in eigen kunnen (self-efficacy), zelfvertrouwen en motivatie. Leraren met hoge verwachtingen hebben er vertrouwen in dat elke leerling kan leren en zich kan ontwikkelen. Het betekent niet dat de leraar alle leerlingen op dezelfde manier behandelt en het gaat er ook niet om dat iedere leerling hetzelfde niveau moet halen. Bij hoge verwachtingen gaat het om het geloof in de mogelijkheden in leren en groeien van alle leerlingen, ongeacht hun achtergrond, opleidingsniveau of financiële situatie van ouders.
Er is nogal eens verwarring over het begrip hoge verwachtingen. Zo wordt vaak gedacht dat het om hoge cijfers gaat, dat alle leerlingen naar havo of vwo zouden moeten, dat het gaat om eenzelfde hoge lat voor iedereen, stress, prestatiedruk. Maar dat is het dus niet. Het gaat om vertrouwen in dat alle leerlingen zich kunnen ontwikkelen en leren, uitdagende hoge doelen en passende ondersteuning. We houden wel vast aan de term ‘hoge verwachtingen’ omdat het de letterlijke vertaling is van ‘high expectations’ en die term wordt al meer dan 50 jaar (inter)nationaal gebruikt (Rubie-Davies, 2015). Allerlei andere termen die gebruikt worden kunnen afleiden van wat het begrip dus echt betekent. Het gaat er daarbij niet alleen over wat een leraar denkt, maar ook over wat een leraar doet.
In dit hoofdstuk gaan we in op hoe verwachtingen ontstaan, de onderliggende dynamieken van lage verwachtingen, van onszelf én elkaar en hoe deze vervolgens de kansen van leerlingen kunnen beïnvloeden. Maar ook wat je kunt doen om hoge verwachtingen hoog te houden in je onderwijspraktijk.
In de hoofdstukken Ouderbetrokkenheid en Prestatiedruk wordt besproken hoe te hoge verwachtingen prestatiedruk verhogen en zo een negatief effect op de ontwikkeling van leerlingen kunnen hebben. In dit hoofdstuk focussen we op de manier waarop te lage verwachtingen de ontwikkeling van leerlingen in de weg kunnen staan. Het hebben van lage verwachtingen is een fenomeen dat veelvuldig terugkeerde in de serie Klassen. Over het algemeen lijken leraren, schoolleiders en bestuurders het roerend eens: het hebben van hoge verwachtingen is cruciaal om gelijke kansen te creëren. Toch lukt dit niet altijd, en vaak zijn kinderen met een lagere sociaaleconomische status hier het slachtoffer van (Inspectie van het Onderwijs, 2023). Als er iets blijkt uit Klassen is dat sommige kinderen al (onbewust) opgegeven zijn voordat ze de kans hebben gekregen om zich te bewijzen. Ook bij onderwijskrachten met de beste intenties kan de gedachte 'voor deze kinderen zit het er niet meer in' de overhand krijgen.
(On)bewuste vooroordelen
Vaak spelen bewuste en onbewuste vooroordelen mee bij de verwachtingen die we van iemand hebben. Zo vaak zelfs, dat het een eigen onderdeel in dit hoofdstuk nodig heeft.
Iedere dag vellen we honderden of misschien zelfs duizenden keren binnen enkele seconden oordelen over het gedrag, het taalgebruik, de kleding, het stemgeluid, de mimiek en de lichaamshouding van anderen. Deze onbewuste (voor)oordelen worden regelmatig zichtbaar en voelbaar voor anderen, door ons gedrag, onze woordkeuze, onze mimiek en onze gebaren.
Categoriseren als oerinstinct
Niemand is vrij van onbewuste vooroordelen, zo blijkt uit onderzoek (Timmermans et al., 2018; Vial et al., 2025) . In tegendeel zelfs: iedereen heeft ze. Ons brein moet continu nieuwe informatie en details over anderen verwerken. Deze informatie categoriseren we op basis van eerdere ervaringen, de manier waarop we zijn opgevoed en stereotype denkbeelden die we over de jaren hebben gevormd. Waarom? Omdat generaliseren en categoriseren onze manier is om snel gevaren in te schatten en zo te overleven. Een voorbeeld: je eet een blauw besje van een struik met doorns. Hierna word je ziek. Wat leer je hiervan? Dat je geen blauwe besjes meer van struiken met doorns moet eten. Alle blauwe besjes zitten nu in de categorie gevaarlijk. Het zou best kunnen dat er ook blauwe besjes zijn die niet gevaarlijk zijn, maar je zult ze, hoogstwaarschijnlijk, in de toekomst toch liever uit de weg gaan. Dat we als mensheid nog bestaan, hebben we te danken aan het proces van categoriseren en generaliseren en daarom doen we dit nog steeds, ook als er helemaal geen direct gevaar dreigt (Bregman, 2019).
Aan ons nuttig oerinstinct zit helaas ook een schaduwzijde. In eenzelfde soort proces als de besjes, categoriseren we ook mensen in sociale groepen en wijzen we hen een identiteit toe op basis van hun gender, etnische achtergrond, raciale identiteit, seksuele geaardheid, (in)validiteit, religie, of andere uitingen van hun identiteit (Aguillard, 2020). Als mensen, en dus ook leraren, onderzoeken we in iedere sociale situatie of we bepaalde vormen van gedrag, uiterlijk of spraak herkennen of juist vinden afwijken.
Voorkeur voor het bekende
De voorkeur voor het bekende, dat wat wij als ongevaarlijk categoriseren, ontwikkelt zich al vroeg in de kindertijd (Devlin, 2018). Het brein reageert sterker op negatieve beelden van sociale groepen, dan op positieve beelden die het tegendeel bewijzen. Dat werkt negatieve vooroordelen over anderen in de hand. Over het algemeen hebben we dan ook voorkeuren voor en positieve vooroordelen over mensen - en dus ook leerlingen - die op ons lijken en tot dezelfde sociale groep behoren (Gershenshon et al., 2016). Het bekende vinden we minder eng dan het onbekende en daarom verkiezen we mensen van onze eigen groep boven mensen die we als anders beschouwen.
Onbewuste vooroordelen staan vaak haaks op wat we intentioneel doen en publiekelijk zeggen, voornamelijk omdat we ons ervan bewust zijn wat wel en niet sociaal wenselijk is om te zeggen. Juist omdat bepaalde vooroordelen wel degelijk bestaan maar niet als dusdanig her- en erkend worden, kunnen ze bijdragen aan systemen van onderdrukking, zoals racisme, seksisme of klassisme. Het is belangrijk om ons te realiseren dat we vooroordelen hóren te hebben; dat dit onderdeel van onze overlevingsstrategie is.
Daarbij komt nog dat onze persoonlijke ervaringen vormend zijn voor hoe wij andere mensen zien. Dat eigen ervaringen zo belangrijk zijn betekent dat één of enkele negatieve ervaringen met mensen die wij tot dezelfde groep rekenen, kunnen leiden tot vooroordelen over alle mensen uit die ‘groep’ (Barlow et al., 2012). Dit kunnen eigen ervaringen zijn, maar kunnen ook indirecte ervaringen zijn, bijvoorbeeld uit verhalen van bekenden of verhalen die je ziet op televisie of via sociale media (Bissel & Parrot, 2013). Het generaliseren van ervaringen komt uit hetzelfde risicomijdende mechanisme voort als het selecteren van de besjes: we zien gedrag dat we onaangenaam vinden en/of potentieel schadelijk voor ons zou kunnen zijn, en dus besluiten we de groep die we verantwoordelijk houden voor dit gedrag uit de weg te gaan.
Vooroordelen en discriminatie
Op basis van meerdere lagen van iemands identiteit kunnen onbewuste vooroordelen ontstaan die vervolgens weer kunnen leiden tot discriminatie. Zo kunnen vooroordelen ontstaan op basis van huidskleur, religie, gender, fysieke capaciteit, leeftijd, nationaliteit, gesproken taal en sociaaleconomische status. In de basis baseren mensen hun eerste oordeel altijd op dat wat er direct zichtbaar is, terwijl er nog talloze andere onzichtbare aspecten onderdeel zijn van iemands identiteit. Zo zijn iemands talenten, levenservaringen, werkstijl, normen en waarden en functies niet op het eerste gezicht zichtbaar, terwijl deze wel degelijk van belang zijn voor het uiteindelijke oordeel dat je over iemand velt.
Bron: Aura for Refugee
Een mooie visualisatie van dit beoordelingsproces is de ‘waterline of visibility’. Eigenschappen die zich boven de waterlijn bevinden zijn direct zichtbaar, alles wat onder de waterlijn zit niet.
Sommige mensen hebben meer te maken met vooroordelen en discriminatie dan anderen. Een antwoord op de vraag waarom dat zo is, kan worden gevonden in de intersectionaliteitstheorie. Intersectionaliteit is een term die in 1989 werd geïntroduceerd door de Amerikaanse rechtsgeleerde, burgerrechtenactiviste en hoogleraar Kimberlé Crenshaw. Het concept is de afgelopen jaren enorm in populariteit toegenomen om de verschillende lagen van ongelijkheid binnen de samenleving te analyseren en te benoemen. Bij intersectionaliteit staat het idee dat een individu meerdere vormen van discriminatie kan ondervinden die elkaar kruisen centraal.
Zo heeft een zwart meisje met een fysieke beperking een driedubbel risico op onbewuste vooroordelen en discriminatie: racisme wegens haar etnische achtergrond, seksisme vanwege haar gender en validisme vanwege haar beperking.
Een praktisch opgeleid iemand kan dan weer te maken krijgen met klassisme of simpelweg het neerkijken op praktisch opgeleiden. Een voorbeeld van klassisme is het idee dat praktisch opgeleiden per definitie niet geschikt zijn voor een hoge politieke functie omdat ze minder goed beslissingen kunnen nemen of dat praktisch opgeleiden minder salaris zouden verdienen omdat ze nou eenmaal minder lang gestudeerd hebben. Uit recent onderzoek blijkt dat klassisme vaak geaccepteerd wordt onder groepen die zich wél bewust zijn van de schadelijkheid van racisme en seksisme. Een praktisch opgeleid iemand een pauper noemen gebeurt bijvoorbeeld regelmatig in podcasts en televisieshows, terwijl andere stigmatiserende woorden op het gebied van discriminatie vermeden worden (Amghar, 2025; Kuppenset al., 2018).
Of het nou om klasse, kleur, leeftijd, fysieke beperking, nationaliteit of gender gaat, feit is dat onbewuste vooroordelen diep geworteld kunnen raken in onze waarneming van groepen mensen en vervolgens bepalend zijn voor hoe we met hen omgaan. De gevolgen hiervan zijn helaas dat bepaalde groepen, bijvoorbeeld mensen van kleur, mensen uit lagere sociale klassen en vrouwen, een ongelijke behandeling krijgen. Zo zijn onbewuste vooroordelen van grote invloed op de dagelijkse realiteit van mensen die slachtoffer worden van deze vooroordelen en hieruit voortkomende stereotyperingen en discriminatie.
Dat mensen hier daadwerkelijk slachtoffer van worden is geen fictie, maar een feit. Uit een onderzoek in Britse steden blijkt dat sollicitanten met een westers of wit klinkende naam tot 74% succesvoller zijn in het bemachtigen van een baan dan hun collega’s met een identiek CV, maar een niet-westerse achternaam (Sippit, 2015; Milkman et al., 2014). In de Verenigde Staten krijgen Latino en Afro-Amerikaanse patiënten minder pijnmedicatie toegediend dan witte patiënten met dezelfde blessure (Devlin, 2018). En het structureel benadelen van bepaalde minderheidsgroepen is geen ver-van-ons-bed-show. In Nederland is het aanzienlijk moeilijker om aan een huurhuis te komen met een migratieachtergrond (van den Eerenbeemt, 2021) en maakt de belastingdienst zich schuldig aan structurele discriminatie van mensen die recht hebben op toeslagen. Denk hierbij aan het toeslagenschandaal dat sterk verbonden bleek met de etnische achtergrond van de slachtoffers (Hofs, 2020). Fikrat-Wevers et al. (2025) zien dat leraren hoogbegaafdheid eerder herkennen bij een leerling met een Nederlandse naam dan bij een leerling met een migratieachtergrond terwijl de prestaties identiek zijn.
Omdat onbewuste vooroordelen vormend zijn voor de verwachtingen die mensen van elkaar en zichzelf hebben, zijn ze van groot belang in het bestrijden van te lage verwachtingen in het onderwijs.
Bewustwording is al een eerste stap, maar daarmee zijn we er nog niet. Wat kan het onderwijs doen om deze vooroordelen aan te pakken?