Wat is er aan de hand?
We willen als maatschappij dat kinderen als goede burgers van school afkomen. Dat wil zeggen: als betrokken jongvolwassenen die weten wat ze in hun mars hebben en begrijpen hoe ze zich door de Nederlandse maatschappij heen moeten navigeren. School bereidt de kinderen voor op het leven in de maatschappij en speelt daarom een cruciale rol in het aanleren van de daarvoor benodigde burgerschapskennis en -vaardigheden. Maar wat blijkt? De hoeveelheid burgerschapskennis en -vaardigheden die leerlingen bezitten, loopt sterk uiteen. Bepaalde groepen leerlingen komen veel beter voorbereid op het leven van school af dan andere groepen en dit heeft vaak met opleidingsniveau of sociaaleconomische achtergrond te maken. Zo dragen verschillen in burgerschapskennis en -vaardigheden bij aan kansenongelijkheid. Je kunt je namelijk moeilijk redden als je niet weet hoe de maatschappij werkt en je kunt moeilijk jouw steentje bijdragen als je niet weet hoe.Daarnaast is een gebrek aan burgerschapskennis gevaarlijk voor onze democratie. Om te willen participeren, moet je de democratie en haar functioneren tot op zekere hoogte begrijpen en het idee hebben dat het nut heeft om te participeren. Nu komen er nog teveel kinderen van school af die dit niet voldoende meegekregen of gevoeld hebben. Burgerschap heeft betrekking op “sociale, maatschappelijk en politieke onderwerpen waarin we van elkaar afhankelijk zijn om tot een goede uitkomst te komen.” (Eidhof, 2019). Burgerschap is dus een relationeel begrip: het gaat om de relaties die mensen met elkaar hebben. Ook gaat het over op de manier waarop mensen zich positioneren in de samenleving en hoe ze erin slagen vreedzaam problemen op te lossen die voortkomen uit tegengestelde belangen en waarden (Munnikma, Dijkstra, van der Veen, Ledoux, van der Werhorfst & Ten Dam, 2017).Goed burgerschapsonderwijs kan allerlei vormen aannemen. Het is juf Astrid die met haar leerlingen een discussie heeft over de Gouden Eeuw, maar het is net zo goed Evy die met haar jaarlaag het Europees parlement naspeelt. Het is een gesprek over homoseksualiteit, maar kan ook een gesprek over duurzaamheid of de werkzaamheden van een burgermeester zijn. Goed burgerschapsonderwijs zou ertoe moeten leiden dat kinderen een duidelijk beeld hebben van onze democratie, hun eigen rol daarin en wat voor rechten en plichten burgerschap met zich meebrengt. Daarnaast leren leerlingen doormiddel van burgerschapsonderwijs reflecteren op ongelijkheid en krijgen ze een beeld van welke instituten, structuren, factoren en mensen onze maatschappij vormgeven.Goed burgerschap betekent uiteindelijk dat Viggo weet dat hij bepaalde dingen meeheeft die Gianny tegenzitten en dat Gianny, ondanks zekere tegenslagen, het gevoel heeft dat hij kan en wil bijdragen. Burgerschap gaat over waarden als verdraagzaamheid, vrijheid en solidariteit. Over verschillen, maar vooral over overeenkomsten.In dit hoofdstuk gaan we in op recente ontwikkelingen in het Nederlands burgerschapsonderwijs en leggen we uit waarom burgerschap een omstreden begrip is, en waarschijnlijk ook zal blijven. Daarnaast gaan we in op de grote verschillen tussen kinderen en scholen op het gebied van burgerschapskennis en -vaardigheden. Als laatste bespreken we hoe je als school goed burgerschapsonderwijs kunt aanbieden dat ruimte laat voor discussie en verschillen en niet alleen gefocust is op gebreken.
Primair onderwijs vs. het voortgezet onderwijs
Zowel het primair als het voortgezet onderwijs (PO/VO) hebben een wettelijke inspanningsverplichting met betrekking tot burgerschapsonderwijs. Dit betekent dat PO- en VO-scholen aandacht moeten besteden aan burgerschapsonderwijs en de vaardigheden die daarbij horen. Op het primair onderwijs gebeurt dit meestal geïntegreerd in de verschillende schoolvakken. Op het voortgezet onderwijs krijgt het vaker de vorm van een apart vak, zoals maatschappijleer of maatschappijwetenschap, terwijl er tegelijkertijd ook aandacht aan wordt besteed in andere vakken en extracurriculaire activiteiten. Toch krijgt burgerschap noch binnen het PO, noch binnen het VO evenveel aandacht als kernvakken zoals taal en rekenen of wiskunde en Nederlands.Hoewel de invulling en inhoud van burgerschapsonderwijs op het primair en het voorgezet onderwijs verschillen, spelen er dezelfde vraagstukken. Alle scholen moeten een visie ontwikkelen over hoe zij burgerschap op hun school in de praktijk brengen, ze moeten er ruimte voor maken in het programma en het burgerschapsonderwijs moet geëvalueerd worden zodat het met de tijd meegaat en blijft voldoen aan de wettelijke voorschriften. Dit hoofdstuk gaat over hoe het onderwijs succesvol burgerschapskennis en -vaardigheden over kan dragen aan alle leerlingen. Dit is relevant voor zowel PO- als VO-scholen.
Burgerschapsonderwijs in Nederland
Het Nederlands burgerschapsonderwijs staat al jaren hoog op de politieke en de publieke agenda (Wet op het primair onderwijs, 2022). Zo is sinds 2006 officieel in de wet opgenomen dat scholen een burgerschapstaak moeten vervullen. De precieze invulling van deze burgerschapstaak is echter, sinds het bestaan van deze wet, vrij geweest.Nederlandse scholen hebben altijd veel ruimte en vrijheid gekregen om hun burgerschapstaak zelf in te vullen. Dit is in lijn met het idee van
vrijheid van onderwijs
, iets dat in Nederland als een groot goed gezien wordt. Scholen mogen vanuit hun eigen levensbeschouwelijke visie lesgeven, en bij deze verschillende visies horen ook allerlei uiteenlopende ideeën over wat goed burgerschap inhoudt.
De verschillende opvattingen over goed burgerschap laten zien hoe complex het vormgeven van burgerschapsonderwijs is. Wetenschappers en beleidsmakers zijn het niet altijd eens over wat goed burgerschap nou precies inhoudt en dit geldt waarschijnlijk net zo goed voor jou en je collega’s Iedereen heeft een bepaald beeld bij de Nederlandse basiswaarden die op school overgebracht zouden moeten worden, maar dit beeld wordt deels bepaald door de verschillende achtergronden die mensen hebben.De ouders van Viggo hebben andere ideeën over burgerschap dan de moeder van Anyssa en de moeder van Yunuscan zal de nadruk op een ander recht of plicht leggen dan de moeder van Gianny. Buiten dat zijn opvattingen over goed burgerschap veranderlijk in ruimte, tijd én in het publieke en politieke debat. Gelijke rechten voor vrouwen werden honderd jaar geleden bijvoorbeeld nog niet beschouwd als een Nederlandse basiswaarde, vandaag de dag gelukkig wel. Tegelijkertijd vindt niet iedereen in Nederland gelijke rechten voor vrouwen belangrijk en kun je dit dus geen nationaal gedragen Nederlandse waarde noemen. Kortom, het vormgeven van burgerschapsonderwijs roept al snel allerlei
normatieve
vragen op, zoals: wat is goed burgerschapsonderwijs? Wie bepaalt er eigenlijk wat goed burgerschapsonderwijs is? En wat geeft diegene het recht dat te bepalen?
Burgerschap kreeg dan ook, toen het in 2006 in de wet werd opgenomen, een hele algemene beschrijving. Het is nou eenmaal een ingewikkeld onderwerp waarover veel gediscussieerd wordt. Helaas bleek de beschrijving zo algemeen dat scholen er weinig mee konden en bleefhet burgerschapsonderwijsgemiddeld genomen onder de maat (Dijkstra & Ten Dam, 2018).De behoefte aan meer duidelijkheid leidde tot een nieuw wetsvoorstel. In januari 2020 heeft de Tweede Kamer gereageerd op het wetsvoorstel voor de wetswijziging ‘Verduidelijking burgerschap in het funderend onderwijs.’ Deze wet is in de zomer van 2021 ingegaan. Het voornaamste doel van deze wet is meer richting geven aan hoe scholen hun burgerschapstaak moeten invullen. Elke school moet op basis van richtlijnen vanuit de overheid meer ruimte maken voor burgerschapsonderwijs binnen het huidige curriculum (VO-raad, 2020). Daarnaast moet de school evalueren hoe de burgerschapsvisie in de praktijk is terug te zien. Het wordt vervolgens een taak van de Onderwijsinspectie om scholen hierop te beoordelen. Hier kun je meer uitleg vinden over de nieuwe wet.
Vrijheid van onderwijs en de burgerschapstaak
De nieuwe wet stuitte op enige weerstand onder docenten, schoolleiders en schoolbesturen, met name omdat de nieuwe wet gezien kan worden als een beperking van de vrijheid van onderwijs. Alsof door deze wet scholen opgelegd wordt wat voor soort burgerschap zij hun leerlingen bij moet brengen. Toch is er ook binnen de nieuwe wettelijke kaders veel vrijheid voor scholen om vanuit hun eigen levensbeschouwelijke visie les te geven en blijft de vrijheid van onderwijs onaangetast.De realiteit is echter dat in sommige gevallen het lesgeven vanuit een levensbeschouwelijke visie schuurt met de burgerschapstaak. Een recent voorbeeld hiervan zijn de verhalen van homoseksuele leerlingen op reformatorische scholen die geforceerd werden om uit de kast te komen door hun docenten, waardoor zij zich onveilig en gediscrimineerd voelden op school (Boersma & van den Berg, 2021). Ook was het de bedoeling dat persoonsleden het aan de schoolleiding zouden melden als leerlingen óf collega's een homoseksuele relatie wilden aangaan of zouden zijn aangegaan (van der Aa, 2021). Dit is natuurlijk een extreem geval, maar het illustreert hoe verschillende visies op welke waarden er centraal zouden moeten op school staan kunnen zorgen voor uitsluiting, discriminatie en oneerlijke behandeling.Maar ook als je extreme gevallen buiten beschouwing laat, heeft het Nederlandse burgerschapsonderwijs forse problemen: de burgerschapskennis van Nederlandse jongeren is relatief laag en gaat maar niet vooruit. Daarbij is er sprake van structurele ongelijkheid tussen verschillende groepen kinderen in termen van kennis. Helaas wordt aan bepaalde groepen (havisten, vwo’ers) kwalitatief hoogwaardiger burgerschapsonderwijs gegeven dan aan andere groepen (vmbo’ers) (Dijkstra, ten Dam, 2018). Zoals eerder benoemd zijn een hoge mate van democratische participatie en kennis over de democratie voorwaarden voor haar functioneren. Het is daarom ronduit zorgwekkend dat een derde van de Nederlandse jongeren tussen 12 en 14 jaar aangeeft niet te weten of we in een democratie leven. Daarbij zegt de helft geen waarde te hechten aan democratie (van der Meer, Wanders, Mulder, Ten Dam, Van der Werfhorst, 2021).Tegelijkertijd zeggen dezelfde jongeren wel democratische waarden zoals vrijheid van meningsuiting en gelijkheid belangrijk te vinden. Uit een peiling van I&O onderzoek dat het merendeel van de jongeren meebeslissen wel degelijk als een essentieel onderdeel van de democratie ziet (van Hal, Kanne, 2021). Het is dus niet zo dat Nederlandse jongeren massaal de democratie afkeuren, maar eerder dat ze niet goed weten wat een democratie eigenlijk inhoudt en waarom een bepaald politiek systeem voor hen van belang zou zijn.Het algehele gebrek aan kennis onder jongeren gecombineerd met grote onderlinge verschillen in kennis betekent dat de kloof tussen wie wel volwaardig kan meedoen in de maatschappij en wie dat niet kan steeds groter wordt, met alle gevolgen van dien. Als de waarden van de democratie niet goed aan de bevolking als geheel worden overgebracht, is het niet gek dat de wil om deel te nemen aan deze democratie steeds kleiner wordt onder de jongere generaties. Kortom: als steeds minder kinderen en jongeren goed begrijpen hoe onze democratie werkt en wat hun rechten en plichten daarin zijn, komt deze democratie op de tocht te staan.Kortom, de burgerschapstaak van scholen is een betwist maar ontzettend belangrijk onderwerp. Er zijn wettelijke kaders voor, maar de praktische invulling laat op sommige scholen nog te wensen over. Dit kan grote gevolgen hebben, voor kinderen vervolgens minder kansen krijgen in de maatschappij, maar ook voor de maatschappij als geheel. Burgerschapskennis en -vaardigheden zijn nodig om deel te kunnen nemen aan de Nederlandse maatschappij. Hier ligt dus een belangrijke taak voor het onderwijs:wat kan het onderwijs nog doen om bij te dragen aan de burgerschapskennis- en vaardigheden van Nederlandse leerlingen?