Wat is er aan de hand?
Nederland is een van de meest welvarende landen ter wereld. Een deel van de bevolking profiteert hier enorm van. Tegelijkertijd is er ook een aanzienlijk deel dat niet de vruchten plukt van die welvaart. Nederland heeft namelijk, ondanks al onze welvaart, een armoedeprobleem. Er zijn mensen die niet rond kunnen komen, zelfs niet als ze werk hebben. Het is niet voor niets dat de makers van de serie Klassen, Sarah Sylbing en Ester Gould, zich al sinds het begin van hun carrière vastbijten in het fenomeen Hollandse armoede. We willen graag geloven dat Nederland een gelijk land is, maar in de praktijk valt dit tegen.
In Klassen zien we het Nederlandse armoedeprobleem terug in de vorm van verhalen van echte mensen en kinderen. We zien hoe Anyssa na de pauze terug op school komt zonder te hebben geluncht en hoe ze haar kleding van de kledingbank krijgt. We zien Gianny, die in een huis woont waar nauwelijks spullen staan. Maar we zien ook hoe school kan helpen. Anyssa is opgelucht als juf Astrid op strenge toon met de klas bespreekt dat er niks gênants is aan naar de voedsel- en kledingbank gaan. “Niet iedereen is met een gouden paplepel in de mond geboren”, zegt juf Astrid. Dat weet Anyssa maar al te goed.
Armoede is geen gemakkelijk onderwerp om over te praten. Er hangt veel schaamte omheen. Ouders en kinderen schamen zich voor hun positie in de maatschappij, leerkrachten zien het niet of durven er niet over te beginnen. Maar juist waar mensen armoede graag verborgen willen houden, heeft onderwijs een belangrijke rol in het zichtbaar maken ervan. Want pas wanneer het bespreekbaar is, kan er gehandeld worden. Als schoolleider speel je een essentiële rol in het bespreekbaar maken van en omgaan met armoede op school. Het gaat immers niet alleen om hoe er in de klas met armoede wordt omgegaan, armoede is bij uitstek iets wat op schoolniveau moet worden aangepakt. Denk hierbij aan het opstellen van schoolbeleid omtrent, het samenwerken met externe organisaties, het beheersen van de schoolkosten, het aanbieden van financieel onderwijs en het doorbreken van het taboe rondom armoede, ook binnen het schoolteam.
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op het Nederlands armoedeprobleem. Hoe ziet armoede eruit in Nederland? En wat kun je als schoolleider doen om, samen met je team, armoede te signaleren, bespreekbaar te maken en te bestrijden?
Feiten en cijfers
Hoewel het aantal kinderen dat opgroeit in armoede vanaf 2012 jaarlijks daalde, groeide in 2020 alsnog een op de vijftien kinderen op onder de Bij een inkomen onder de lage-inkomensgrens spreekt het CBS van een huishouden met een laag inkomen of van een huishouden met risico op armoede. De lage-inkomensgrens staat voor een vast koopkrachtbedrag en wordt jaarlijks gecorrigeerd voor de prijsontwikkeling. In 2020 lag de grens voor een alleenstaande op 1 100 euro per maand, voor een paar was dat 1 550 euro. Met twee minderjarige kinderen was de grens voor een paar 2 110 euro en voor een éénoudergezin 1 680 euro. Dit staat gelijk aan ongeveer 221.000 minderjarige kinderen (Centraal Bureau voor Statisiek, 2021). Daarnaast leven er 100.000 kinderen in een gezin met een Er is sprake van een langdurig laag inkomen als een huishouden langer dan 4 jaar moet rondkomen van een inkomen onder de gebruikte inkomensgrens. (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2021)Bekijk in de begrippenlijst. (Centraal Bureau voor Statisiek, 2019) Ruim 300.000 kinderen hebben dus in hun dagelijks leven te maken met een vorm van armoede. Onder gezinnen met lage inkomens is er vaker sprake van sociale achterstanden. Zo ligt het aandeel dat slachtoffer of pleger is van criminaliteit hoger bij deze groep. Ook hebben mensen met een lager inkomen meer last van overlast in de buurt. Daarbij doen ze over het algemeen minder actief mee in de samenleving en hebben ze slechter toegang tot essentiële voorzieningen, zoals goede gezondheidszorg en huisvesting (Centraal Bureau voor Statisiek, 2021).
Bepaalde groepen kinderen zijn oververtegenwoordigd in de groep lage inkomens, namelijk kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond en kinderen die opgroeien in een eenoudergezin. Van de kinderen die onder de armoedegrens leven, groeit maar liefst een derde op in een gezin waarin in ieder geval één ouder werk heeft. Dit is iets om tot je te laten doordringen: werken is in Nederland geen garantie op rondkomen (Huygen et al., 2020). Verreweg het grootste deel van de kinderen die opgroeit in armoede (twee derde) komt uit gezinnen waar de ouders afhankelijk zijn van een uitkering of een andere vorm van financiële bijstand vanuit de overheid (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2019). Iets om mee te nemen over deze groep ouders met een bijstandsuitkering, is dat er zoiets bestaat als een armoedeval: een situatie waarin werken niet loont omdat je erop achteruit gaat wanneer je dit doet, vaak omdat je meer verliest aan toeslagen en inkomensondersteuning dan dat je extra kunt verdienen. Er zijn dus ouders die dolgraag zouden willen werken, maar dit zich - paradoxaal genoeg - niet kunnen veroorloven.
Armoede en corona
Uit de meest recente cijfers van het Centraal Bureau voor Statistiek blijkt dat er in 2021 een toename heeft plaatsgevonden van het huishoudens met langdurige kans op armoede. Tegelijkertijd zijn er sinds 2015 steeds minder kinderen met langdurige kans op armoede, deze positieve trend zet zich ook in 2021 door (Centraal Bureau voor Statisiek, 2021).
Toch is het belangrijk om stil te staan bij de invloed van corona. Juist (kans)arme kinderen zijn het kind van de rekening van de scholensluiting, zo is gebleken (Onderwijsraad, 2020). Denk hierbij aan Vera. Voor haar was het thuis haast onmogelijk concentreren door een gebrek aan ruimte en begeleiding. Ze deelde het appartement samen met haar vier broertjes en zusjes en er was geen laptop voor haar alleen beschikbaar. Voor haar stond de coronatijd praktisch gelijk aan geen onderwijs krijgen. Bij Viggo daarentegen was het online onderwijs goed geregeld. Hij had een mooie grote kamer om te kunnen werken, een eigen laptop en zijn ouders begeleidden hem bij zijn schoolwerk. Zo vergrootte corona de reeds bestaande kloof tussen rijkere en arme kinderen in termen van onderwijskansen.
Uit onderzoek van de Universiteit van Oxford naar het effect van de eerste scholensluiting op leerlingen van groep 5 tot en met 8 blijkt dat kinderen gemiddeld 3% minder leerwinst boekten. Dit gemiddelde effect is gelijk aan de leerwinst die normaal geboekt wordt in 1/5 van een schooljaar, wat precies evenveel is als de acht weken die de scholen gesloten waren. Voor kinderen met lageropgeleide ouders kan het leerverlies wel 60% hoger zijn, aldus datzelfde onderzoek. Dit bevestigt het idee dat de coronacrisis een specifieke groep kinderen harder heeft getroffen (Engel, Frey & Verhagen, 2020).
Ook socioloog Thijs Bol vond aanwijzingen voor het idee dat kinderen met theoretisch opgeleide ouders minder leerachterstand opliepen in coronatijd. Daarbij nam hij relatief grote verschillen waar tussen de verschillende middelbare schoolniveaus: op het vwo was het afstandsonderwijs vaak beter geregeld dan op het vmbo (Visser, 2020).
Corona heeft dus wel degelijk de leerlingen uit lagere sociaaleconomische milieus harder geraakt. Als deze leerlingen hun leerachterstanden niet kunnen inhalen, dan kan dit zeker van invloed zijn op hun toekomst.
Onderschatting van armoedeproblematiek
Hoewel de cijfers duidelijk laten zien dat er wel degelijk armoede is in Nederland, zijn Nederlanders over het algemeen geneigd het aantal mensen dat in armoede leeft te onderschatten. In een peiling van SIRE in 2020 gaf maar liefst 77% van de ondervraagden aan geen kinderen te kennen die opgroeien in armoede (PanelWizard Direct, 2020). Dit is, als je zo de bovengenoemde cijfers bekijkt, behalve voor een selecte bevoorrechte groep, statistisch gezien onmogelijk.
De onderschatting van armoedeproblematiek wordt, deels, in stand gehouden door de meritocratische gedachte dat iedereen in Nederland kan worden wat hij of zij wil, als je maar hard genoeg werkt. Maatschappelijk falen staat in deze gedachtegang gelijk aan persoonlijk falen: “Dan had je maar beter je best moeten doen.” (Bol, 2020). Armoede is volgens deze gedachtegang de schuld van de mensen in kwestie zelf. Maar het idee dat iedereen kan worden wie hij of zij wil worden is een utopie, ook in Nederland. Sociaaleconomische status speelt wel degelijk een cruciale rol in het bepalen van de kansen van kinderen en daarbij kunnen er nog talloze andere dingen voor armoedeproblematiek zorgen zoals het erven van schulden, lichamelijke beperkingen, de onzekerheid van het ZZP-bestaan, of gewoon heel veel pech.
Een nadelig effect van het idee dat armoede de schuld is van de mensen in kwestie zelf, is dat er veel schaamte rondom armoede ontstaat. Het is schaamtevol als door jouw toedoen je geen fatsoenlijk huis kunt kopen voor je gezin en het volledig bij jou ligt dat je kinderen geen nieuwe kleren kunnen kopen. De massale onderschatting van armoedeproblematiek laat dus voornamelijk zien dat er niet voldoende over gesproken wordt, niet door de mensen die er wel mee te maken hebben, niet door de mensen die eronder lijden.
Hoog tijd dus om van die gedachte af te stappen.
Gevolgen van armoede
De invloed van armoede op de ontwikkeling van kinderen is allesomvattend: armoede kan de sociale, emotionele, psychische en cognitieve ontwikkeling negatief beïnvloeden. Opgroeien in armoede staat regelmatig gelijk aan het hebben van materiële achterstanden. Kinderen hebben minder eten thuis, wonen in gebrekkige huizen, kunnen niet op vakantie of naar het museum, hebben geen boeken, laptop of speelgoed thuis. Kinderen die in armoede opgroeien leven vaak letterlijk en figuurlijk in een kleine wereld en het is voor hun ouders niet gemakkelijk om die te vergroten als er weinig middelen beschikbaar zijn (Pascoe et al., 2016).
Naast materiële achterstanden kampen kinderen die opgroeien in armoede regelmatig met stress. In armoede opgroeien betekent in dit geval niet alleen een tekort aan financiële middelen of een materiële achterstand thuis, maar ook opgroeien met de stress van arm zijn (Lusse & Kassenberg, 2020).
Met nadruk op kan. De invloed van armoede op de ontwikkeling van het kind wordt namelijk altijd ook nog beïnvloed door allerlei andere factoren, zoals de kwaliteit van zorg van de ouders of andere volwassenen in de nabije omgeving, de kwaliteit van het onderwijs dat ze ontvangen, de eventuele hulp van externe organisaties en ga zo maar door (Brooks-Gunn & Duncan, 1997). Er zijn wel degelijk ouders die erin slagen om goed voor hun kinderen te zorgen en een stabiele thuisomgeving te creëren, ook in armoede.
Negatieve stressfactoren
De negatieve invloed van stress op de ontwikkeling van een kind bestaat niet alleen uit de stress van de kinderen zelf, maar ook uit de stress die ouders ervaren doordat er schaarste is. Armoede kan voor conflicten tussen volwassenen zorgen, voor angstige en depressieve gevoelens en zelfs voor agressief en conflictueus gedrag. Kinderen in armoede lopen dus meer risico om op te groeien in een instabiele thuissituatie: in maar liefst de helft van de gevallen van huiselijk geweld is er ook sprake van armoedeproblematiek (Watson & McLanahan, 2011). Ook buitenshuis lopen kinderen die in armoede opgroeien het risico om blootgesteld te worden aan stressfactoren. In armere buurten is de kans groter dat er sprake is van geluidsoverlast, criminaliteit en is er minder gemakkelijk toegang tot kinderopvang of scholing van hoge kwaliteit (Brooks-Gunn & Duncan, 1997). Ook zijn er vaak minder positieve rolmodellen aanwezig en is de kans op het opdoen van negatief sociaal kapitaal aanzienlijk groter (Lusse, Kassenberg & Kletter, 2021).
Het is wel belangrijk om hier nuance in aan te brengen. Niet alle arme kinderen groeien op in onveilige thuissituaties of buurten, en niet elke arme buurt is onveilig of slecht voor kinderen om in op te groeien. Er zijn ouders en buurten die er met weinig in slagen om ontzettend veel te geven. Maar het risico op al deze negatieve stressoren groeit naarmate de armoede toeneemt.
Toxische stress
In de wetenschapswereld bestaat er geen twijfel over dat stress funest kan zijn voor de ontwikkeling van kinderen. Gedurende de eerste jaren van je leven ondergaat het brein de snelste ontwikkeling. Tijdens deze periode staat je brein dus het meest open voor de invloed van externe gebeurtenissen, in zowel positieve als negatieve zin. Het ervaren van kortdurende stress in deze periode is niet per definitie slecht. Het is belangrijk voor kinderen om te leren omgaan met nare gebeurtenissen en de stress die hierbij hoort. Indien kinderen hierin bijgestaan en begeleid worden door vertrouwde volwassenen kan kortdurende stress een positieve uitwerking hebben op kinderen. Ze worden weerbaar en kunnen later in hun leven beter omgaan met tegenslagen.
Het effect van langdurige stress vanwege een factor als armoede is echter compleet anders dan een kortdurend stressmoment. Door langdurige en hevige blootstellingen aan stressfactoren wordt er voortdurend een teveel aan stresshormonen aangemaakt en dit heeft negatieve gevolgen voor de ontwikkeling van het brein. In de wetenschapswereld wordt dit fenomeen toxische stress genoemd: stress die letterlijk giftig is voor kinderen. Dat toxische stress een significante rol speelt in de ontwikkeling van kinderen die opgroeien in armoede is wetenschappelijk aangetoond. Recent Brits onderzoek laat zien dat kinderen die op of onder de armoedegrens opgroeien een 8 tot 9% minder ontwikkeld brein hebben dan gemiddeld (Hair et al., 2015).
Het deel van de hersenen dat het sterkst getroffen wordt door deze ontwikkeling is het deel dat over de uitvoerende functies en over zelfcontrole gaat (Blair & Cybele Reaver, 2018). Deze delen van het brein zijn essentieel voor het kunnen onthouden, plannen, problemen oplossen en het maken van weloverwogen beslissingen. Doordat deze gebieden minder ontwikkeld zijn, kunnen kinderen die blootgesteld worden aan toxic stress moeite hebben met het reguleren van hun emoties, met zich concentreren, met beslissingen maken en met het controleren van impulsen (Noble et al., 2015). Dit kan zich vertalen naar sociaal afwijkend of zelfs sociaal onwenselijk gedrag. Dit gedrag is aan de buitenkant zichtbaar en kan storend zijn voor docenten en andere mensen uit het schoolteam. Dit gedrag kan makkelijk geïnterpreteerd worden als een slechte opvoeding of een moeilijk karakter, maar de oorzaak ervan ligt in sommige gevallen ergens anders.
Indien er niet voor het effect van toxische stress gecompenseerd wordt, houden kinderen ook later in hun leven hier last van. Dit verklaart ook waarom ouders die zelf zijn opgegroeid in armoede, over het algemeen minder goed verstandige (financiële) beslissingen kunnen nemen, minder geduld en minder aandacht hebben voor hun kinderen en vaker een opvoedstijl hanteren met bijvoorbeeld een nadruk op straffen (Lusse & Kassenberg, 2020).
Armoede zorgt er dus voor dat mensen juist die vaardigheden verliezen die ze nodig hebben om zich uit armoede te bevrijden. Op die manier houdt schaarste zichzelf in stand, en werkt armoede nog meer armoede in de hand (Mullainathan & Shafir, 2013).
Gelukkig is er ook goed nieuws. Allereerst is ons brein ontzettend flexibel. De situatie die ontstaat door toxische stress bij kinderen die opgroeien in armoede is niet permanent en kan omgekeerd worden door blootstelling aan positieve externe factoren.
Ten tweede is de gedachte dat ieder mens in potentie gevangen kan komen te zitten in armoede natuurlijk niet prettig, maar het is óók hoopgevend: elk mens kan potentieel arm worden, maar net zo goed uit de armoede ontsnappen. Als hij of zij bevrijd wordt van schaarste, ten minste. Dit idee kan bijdragen aan een nieuw beeld van armoede, waarin er óók aandacht besteed wordt aan de veerkracht en het doorzettingsvermogen van mensen die in armoede opgroeien en leven.
Tot slot gelden deze negatieve gevolgen gelukkig niet voor ieder kind dat opgroeit in armoede. Niet elk kind lijdt onder overmatige stress en heeft daardoor minder zelfbeheersing en -regulatie. Door dat te beweren, scheer je alle kinderen die opgroeien in armoede over één kam en hiermee doe je zowel kinderen als hun ouders tekort. Uit onderzoek van de Kinderombudsman blijkt dat de meeste kinderen die opgroeien in armoede ook positieve gevolgen van de situatie ondervinden. De helft van de geïnterviewde kinderen gaf aan dat ze met het gezin naar elkaar toe waren gegroeid en dat ze door de situatie beter met geld leren omgaan en geld meer op waarde schatten (De kinderombudsman & het Verwey-Jonker instituut, 2018).
Hoe we het ook wenden of keren, de realiteit is dat er ook de komende jaren veel kinderen in armoede zullen opgroeien. En hier moeten wij, als maatschappij en als onderwijssector, op de best mogelijke manier mee leren omgaan.
- Gratis geld voor iedereen - Rutger Bregman (boek) + Tedtalk)
- Schaarste - Sendil Mullainathan & Eldar Shafir (boek)
- Deze socioloog onderzocht het effect van de de schoolsluiting op gelijke kansen in het onderwijs - Johannes Visser - artikel waarin dieper ingegaan wordt op het onderzoek van Thijs Bol (artikel)
- Wat is de definitie van armoede in deze tijd? - Monique Maks (podcast)
- Schuldig, Sarah Sylbing & Ester Gould (de serie over schuldenproblematiek van de hand van de makers van Klassen)
Stof tot nadenken
Stof tot nadenken