Wat is er aan de hand?
Al op jonge leeftijd nemen we onbewust dingen over van de mensen om ons heen, dit wordt socialisatie genoemd. Denk bijvoorbeeld aan taalgebruik, verwachtingen, gedrag, normen, waarden, ambities en doelstellingen. Onze socialisatie vindt plaats binnen verschillende leefwerelden. Kinderen en jongeren worden allereerst gesocialiseerd binnen het huis waar ze opgroeien. Ze leren wat thuis gangbaar en sociaal geaccepteerd is. Mede daarom is ouders betrekken bij het onderwijs ook zo belangrijk. Contact met de ouders geeft de leerkracht een inkijkje in de thuissocialisatie van kinderen. Verder brengen kinderen een groot deel van hun tijd buitenshuis door. Ze spelen met vrienden en gaan, uiteraard, naar school.
Kijk bijvoorbeeld naar Gianny, Anyssa en Yunuscan. Zij krijgen normen en waarden mee via hun ouders, maar ook via leraren op school en leeftijdsgenoten die ze ontmoeten. Deze ontmoetingen kunnen op straat zijn, maar net zo goed bij sportclubjes, muziekles of de naschoolse opvang. De leefwerelden van de kinderen die we in Klassen volgen, lopen sterk uiteen. Vera heeft andere leefwerelden dan Viggo, en Waïl groeit op met andere mensen om zich heen dan Evy. Maar in welke werelden ze ook opgroeien, één ding hebben alle leerlingen uit Klassen gemeen: ze zijn allemaal bezig met vragen rondom hun identiteit. Wie zijn ze eigenlijk? Wie willen ze zijn? Wat onderscheidt hen van hun leeftijdsgenoten? Welke gebruiken, normen en waarden kennen ze? En hoe zijn deze van belang binnen hun verschillende leefwerelden? Waar botsen ze en waar komen ze overeen?
In dit proces van identiteitsvorming kan verwarring ontstaan over wie ze zijn en waar ze bij horen, waar ze zich voor willen inzetten en waar ze juist niet hun best voor willen doen. In dit proces kan het zijn dat school niet op de eerste plaats komt. Omdat ze zich op school niet gezien of gewaardeerd voelen, omdat de schoolwereld te veel verschilt van hun thuiswereld om het met elkaar te kunnen combineren, of omdat ze liever met hun vrienden zijn.
In dit hoofdstuk gaan we dieper in op de identiteitsontwikkeling van kinderen en jongeren en de bijbehorende verschillende leefwerelden waarin ze zich begeven. Er wordt besproken waarom het belangrijk is dat je je als schoolleider en als schoolteam bewust bent van de verschillende leefwerelden van je leerlingen en wat er gebeurt als de schoolcultuur niet voldoende duidelijk is voor de leerlingen en/of het schoolteam. Ten slotte worden er praktische suggesties gedaan om uiteenlopende leefwerelden bij elkaar te brengen.
Identiteitsvorming
Volwassen worden gebeurt niet in een vacuüm. Je omgeving en het milieu waarin je opgroeit bepalen grotendeels wie je wordt en hoe je je eigen positie in de wereld ziet. Je gevoel van identiteit is dus sterk afhankelijk van hoe anderen jou zien en wat anderen jou hebben meegegeven.
Identiteitsontwikkeling is een proces dat op meerdere gebieden tegelijkertijd plaatsvindt en op verschillende manieren vormgeeft hoe jij jezelf ziet. Je kunt je als man identificeren en jezelf tegelijkertijd als Christen en homoseksueel zien. Identiteit is een fenomeen dat houvast biedt en jou tegelijkertijd uniek maakt. Identiteit is een fundamenteel principe dat zich een leven lang blijft vormen: je bent nooit ‘af’. Door het hebben van een identiteit of meerdere identiteiten voelen mensen zich verbonden met én anders dan anderen; het hebben van een identiteit verbindt én het onderscheidt (Erikson, 1959).
Identiteitsverwarring
Jonge kinderen zijn zich nog weinig bewust van hun identiteit en houden dan ook niet vast aan één bepaalde identiteit (Kroger, Martinussen, & Marcia, 2010). Als kinderen rond de acht jaar zijn, worden ze zich bewuster van hun identiteiten en de manier waarop ze anders of juist hetzelfde zijn. Ze worden zich bewust van hun genderidentiteit en hun etnische identiteit. “Ik ben een jongetje en jij een meisje” is hier een simpel voorbeeld van. Ook realiseren ze zich, naarmate ze ouder worden, wat de gevolgen van het hebben van een bepaalde identiteit kunnen zijn. Neem bijvoorbeeld Gianny en zijn vrienden die op het bankje voor hun school zitten en praten over hoe ze op hun huidskleur beoordeeld worden. Uit dit gesprek blijkt dat ze zich bewust zijn van hun donkere huidskleur en hoe deze hun identiteit bepaalt, in dit geval omdat mensen hen anders behandelen vanwege hun huidskleur. Dit voorbeeld laat zien hoe Gaat over het volk waartoe iemand zich rekent of de etnische groep waar iemand zich deel van voelt. Dit gaat over meer dan alleen huidskleur of herkomst van de meerderheidsgroep, al is dat waar men meteen aan denkt. Mensen rekenen zichzelf tot een etnische groep vanwege herkomst en voorkomen (zoals huidskleur), maar ook vanwege socialisatie en ervaren verwantschap. Ook Nederlanders vormen een etnische groep. Agirdag, O. (2020). Onderwijs in een gekleurde samenleving. Antwerpen: EPO. een belangrijke rol kan spelen in de ontwikkeling van kind tot adolescent en later volwassene.
Rond de pubertijd komen hier onder andere de politieke en religieuze identiteit bij. Deze identiteiten zijn vaak in eerste instantie gebaseerd op de identiteit van de ouders, daarna op die van vrienden. Jongeren worden zich bewust van al hun identiteiten en tegelijkertijd beseffen ze dat ze, ondanks alle externe invloeden, een uniek persoon zijn (van der Wal, de Wilde, & de Mooij, 2017). Dit is het stadium van de ontwikkeling waarin identiteitsprocessen centraal staan. Deze fase vindt plaats tijdens de overgang van kind naar volwassene, van ongeveer 12 tot 22 jaar (Erikson, 1959). Deze fase van identiteitsontwikkeling gaat gepaard met allerlei soorten verwarring. Verwarring over of je wel net zo goed en geschikt bent als anderen, over je plek in hiërarchische systemen zoals school en hoe je je hierin moet gedragen, over welke waarden uit je omgeving je moet overnemen en welke juist niet. Je zult deze verwarring vast herkennen uit je eigen pubertijd. Wie ben ik? In hoeverre voel ik mij thuis op school of in de wijk? Wie zijn mijn vrienden? Wat vinden mensen van mij? En wat vind ik eigenlijk van al die mensen die iets van mij vinden?
Kort samengevat: jongeren staan in de pubertijd voor een aantal ingewikkelde taken, namelijk het oplossen van eventuele verwarring over hun identiteit, het creëren van een eigen gevoel van identiteit en het vinden van de sociale omgeving waar ze betekenisvolle banden kunnen aangaan met anderen (Chen, Lay, Wu, & Yao, 2007). Het hebben van een stevig identiteitsgevoel heeft een positief effect op de mentale gezondheid. Je weet wie je bent en dat voelt goed. Verward zijn met betrekking tot je identiteit daarentegen kan negatieve uitwerkingen hebben, zoals emotionele instabiliteit, neerslachtige en angstige gevoelens of zelfs depressie (Crocetti et al., 2009).
Schipperen tussen leefwerelden
Volgens de Nederlandse onderwijssocioloog Iliass El Hadioui is het belangrijk voor onderwijskrachten om identiteitsontwikkeling en mogelijke verwarring rondom identiteit te begrijpen door stil te staan bij de pedagogische driehoek van de straat-, school- en thuiscultuur. Binnen deze drie leefwerelden, waarin jongeren zichzelf vormen, heersen soms compleet tegenstrijdige gewenste normen, waarden en gedragingen. Hoe verder deze culturen of leefwerelden van elkaar afstaan, hoe verwarrender het is voor de jongere in kwestie. Soms zelfs zo verwarrend dat de jongere de leefwerelden niet gecombineerd krijgt (El Hadioui, 2011).
Daarbij dragen “Een sorteersysteem dat groepen van mensen rangschikt in statusposities op basis van etnisch-raciale achtergrond. Racisme bepaalt dus welke etnische groepen welke machtsposities krijgen.” Belangrijk om hierbij te onthouden is dat racisme een politiek-ideologisch systeem is. Dit is groter en breder dan individuele gedachten of handelingen, en ook meer dan stereotypen, vooroordelen en discriminatie (Agirdag, 2020, p.62-63)Bekijk in de begrippenlijst en “Het ongelijk behandelen van personen of groepen op basis van kenmerken van die personen die in deze situatie niet relevant zijn.” Sociaaleconomische status is één van deze kenmerken, net als afkomst, geslacht, godsdienst, seksuele voorkeur, nationaliteit, leeftijd of het hebben van een handicap (Agirdag, 2020, p.60)Bekijk in de begrippenlijst sterk bij aan identiteitsverwarring bij jongeren. Ervan uitgaande dat we allemaal lid zijn van verschillende groepen en dus verschillende identiteiten hebben, die in meerdere mate onze kansen bepalen, zullen er sommige groepen jongeren zijn die veel meer met met racisme en discriminatie te maken hebben dan anderen. Dit komt doordat iemand zich op een kruispunt kan bevinden waar meerdere discriminatiegronden samenkomen. Of, in sommige gevallen, op een kruispunt waar er geen samenkomen. Het idee dat er diverse aspecten aan iemands sociale identiteit zijn die elkaar kruisen en zo iemands positie in de maatschappij bepalen noem je Het idee dat “onze verschillende identiteiten/categorieën van verschil (ras, klasse, gender, seksualiteit, etc.) elkaar beïnvloeden op materieel, institutioneel en symbolisch niveau met als resultaat dat we op een verschillende manier met discriminatie of machtsposities te maken krijgen.” (Jouwe, 2019)Bekijk in de begrippenlijst of kruispuntdenken. Als jongeren, door discriminatie en racisme, voortdurend het gevoel krijgen niet goed genoeg te zijn, of het idee krijgen dat er voor bepaalde aspecten van hun identiteit geen plek is op school, thuis, op werk of op straat, dan zorgt dit voor identiteitsverwarring. Als het dus gaat om het voorkomen van identiteitsverwarring, is het tegengaan van racisme en discriminatie absoluut cruciaal.
De pedagogische driehoek
Straatcultuur
Het eerste onderdeel van de pedagogische driehoek is de straatcultuur. In de straatcultuur staan banden met leeftijdsgenoten centraal. Je zou het dus ook 'peercultuur' kunnen noemen, maar we houden het bij straatcultuur omdat El Hadioui het ook zo beschrijft. Belangrijk is om dit niet te verwarren met bijvoorbeeld criminele bendes of blowende hangjongeren; elke jongere maakt onderdeel uit van een peercultuur en dus een straatcultuur. Voor een jongere is het van belang om de sociale codes die bij leeftijdsgenoten gangbaar zijn, te begrijpen en te kunnen gebruiken om niet als buitenbeentje te worden gezien. Iedereen kan ‘straat’ zijn, maar je moet wel begrijpen wat ‘straat’ is om erbij te kunnen horen (El Hadioui, 2011).
Straatcultuur wordt gezien als macho-masculien. Dit klinkt als een abstracte term, maar wat El Hadioui hiermee bedoelt is dat de kinderen en jongeren respect, eer en status als zeer belangrijk ervaren. Toch is de straatcultuur niet per definitie een mannending. Ook meisjes en vrouwen kunnen onderdeel uitmaken van de straatcultuur. In de straatcultuur is bescherming van de groep waartoe de jongere zichzelf rekent van groot belang. Als de sociale status van die groep bedreigd wordt door mensen van buiten de groep wordt hierop gereageerd. Jongeren nemen elkaar in bescherming (de Jong, 2007). Dit kan gepaard gaan met geweld, maar kan ook verbaal worden uitgevochten (El Hadioui, 2011).
Onder vrienden kan de cultuur hard zijn. Je als kind of jongere ‘soft’ gedragen kan uit den boze zijn omdat hiermee je status in het geding kan komen. Dit zie je terug bij Gianny die met de jongerenwerker bespreekt dat hij bij niemand echt zijn gevoelens uit. De jongerenwerker antwoordt dat hij daarmee op moet passen omdat alle tranen zich dan naar binnen keren en hij dan op een gegeven moment ontploft. Gianny knikt deemoedig: dat herkent hij wel.
Onder leeftijdsgenoten is het van belang om ‘cool’ te blijven en je status te behouden, als individu én als groep. Zo kan het zijn dat het binnen de straatcultuur niet cool is om huiswerk te maken en dat in niks geïnteresseerd zijn juist wel cool is. Of een extremer voorbeeld: een straatcultuur waarin criminaliteit de norm is en statusverhogend werkt. Denk hierbij ook aan Gianny die na het plegen van een overval door medeleerlingen als een held wordt ontvangen. Gianny en zijn vrienden ontlenen onderling duidelijk status aan crimineel gedrag, terwijl in de leefwereld van de meeste mensen crimineel gedrag gezien wordt als gevaarlijk en beschadigend, niet als statusverhogend en stoer. Wel is het belangrijk om te benadrukken dat, hoewel het macho-masculiene karakter van de straatcultuur kan leiden tot het geven van overlast en criminaliteit, jongeren hier in de eerste instantie niet naar op zoek zijn. Jan Dirk de Jong, een antropoloog die jarenlang etnografisch onderzoek deed naar de straatcultuur, benadrukt dat het het met elkaar chillen op straat in de eerste instantie voor geborgenheid moet zorgen (de Jong, 2007).
De straatcultuur biedt namelijk ook mentale en emotionele veiligheid , bijvoorbeeld aan jongeren die dit in hun andere leefwerelden missen. Bij elkaar voelen ze zich veilig, gezien en gewaardeerd terwijl dit thuis of op school niet het geval is. In de straatcultuur vinden deze leerlingen dan een toevluchtsoord voor de problemen en pijn die ze thuis of op school ervaren. Jan Dirk de Jong onderstreept in zijn boek dan ook dat het belangrijkste verschil is dat de mini-maatschappijen op straat, in tegenstelling tot onze individualistische maatschappij, heel collectivistisch zijn. Op straat kom je voor elkaar op en zorg je voor elkaar, in de ‘gewone’ maatschappij wordt je aan je lot overgelaten (de Jong, 2007). Ook hier kun je Gianny in herkennen. Op straat voelt hij zich gezien en gewaardeerd, op school verveelt hij zich voornamelijk, voelt hij zich voortdurend onderschat en ondergewaardeerd. Thuis is het letterlijk en figuurlijk leeg: er staan weinig meubels en zijn moeder vertrekt soms opeens voor een langere periode naar Suriname.
Geaccepteerd worden door vrienden en het hebben van vertrouwensbanden zorgt ervoor dat jongeren minder psychische en gedragsproblemen hebben, ongeacht hun geslacht, leeftijd of de familie waarin ze opgroeien. Ook helpen deze vertrouwensbanden met het krijgen van een coherent gevoel van identiteit. Jongeren spiegelen zich aan elkaar en steunen elkaar in hun identiteitsontwikkeling (Luyckx et al., 2014).
Thuiscultuur
Thuis worden leerlingen door hun ouders, broertjes, zusjes en andere familie gesocialiseerd. De thuissocialisatie van kinderen is belangrijker in het basisonderwijs dan in het middelbaar onderwijs, omdat vrienden op latere leeftijd een steeds grotere rol gaan spelen in de identiteitsontwikkeling van kinderen. Toch blijft de thuiscultuur een belangrijke rol spelen in het leven van jongeren. Buiten dat beïnvloedt de thuiscultuur die een kind voor of tijdens de basisschool heeft meegekregen, hoe hij of zij vervolgens de middelbare school ervaart. Een groot deel van wat je vindt en wie je bent of denkt te zijn, krijg je immers vanuit huis mee.
Schoolcultuur
Op school vindt een ander belangrijk deel van de socialisatie plaats. Socialisatie is niet voor niets één van de kerntaken van het onderwijs (Onderwijsraad, 2016). De school is een omgeving waar leerlingen continu in contact staan met leeftijdsgenoten, docenten en andere onderwijskrachten. Op school heerst, net als op straat, een specifieke cultuur, met eigen normen, waarden, verwachtingen en taalgebruik. Als schoolleider ben je de hoofdvertegenwoordiger van de schoolcultuur. Jij bent medeverantwoordelijk voor het bepalen welk gedrag geaccepteerd en aangeleerd wordt binnen de schoolmuren en welke normen en waarden er centraal staan op school en je ziet erop toe dat het team dit zo consequent mogelijk zelf hanteert en aanleert aan de kinderen.
Match of mismatch?
Wanneer de drie leefwerelden uit de pedagogische driehoek volledig op elkaar aansluiten, herkennen kinderen zich dag in dag uit in zowel de thuis-, school- als straatomgeving, waardoor er weinig verwarring is rondom hun identiteit. Ze voelen zich overal thuis en weten in elke omgeving en sociale groep wie ze zijn en hoe ze zich horen te gedragen. Dit betekent dat je als kind de schooltaal spreekt, dat je het type cultureel kapitaal bezit dat op school wordt gehanteerd en dat de normen, waarden, ambities in de verschillende leefwerelden overlappen. In die situatie hebben kinderen bijna niet door dat ze zich in drie verschillende leefwerelden begeven, omdat ze zo op elkaar lijken.
Wanneer kinderen en jongeren heel verschillende of zelfs tegenstrijdige verwachtingen, gedragingen, ambities, normen en waarden meekrijgen uit de verschillende leefwerelden, kan er verwarring ontstaan. El Hadioui beschrijft dit als een mismatch tussen de thuiscultuur, de schoolcultuur en straatcultuur. Op school wordt huiswerk maken beloond, maar op straat vinden je vrienden je een sukkel als je hard aan school werkt. Thuis wordt verwacht dat je zo snel mogelijk de groentezaak van je vader overneemt, terwijl op school de nadruk wordt gelegd op doorstuderen. Thuis is de verwachting dat je arts wordt, maar op school krijg je het idee dat dit onhaalbaar voor je is. Je docent uitschelden wordt door je vrienden beloond, maar geeft je een slechte naam binnen het schoolteam. Maar een mismatch kent ook andere, subtielere vormen. Denk bijvoorbeeld aan het afwachten met praten tot je de beurt krijgt vanuit het respect dat je thuis hebt geleerd te hebben voor meerderen; alleen praten als je vader je daar de opdracht toe geeft. Dit kan op school gezien worden als niet actief genoeg meedoen, terwijl er eigenlijk sprake is van een mismatch tussen het gewenste gedrag in verschillende leefwerelden en een leerling misschien wel niet beter weet.
- Niet lullen maar poetsen - Joeri Boom - artikel in de Groene Amsterdammer met meer informatie over het boek van Jan Dirk de Jong (artikel)
- Straatcultuur en Jeugdcriminaliteit - Podcast Jan-Jaap Hubeek met Jan Dirk de Jong (podcast)
- Switchen en klimmen - Boek over het switchgedrag van leerlingen en de klim op de schoolladder in een grootstedelijke omgeving - Ilias el Hadioui, Marieke Slootman, Zozo El- Akabawi, Maame Hammond, Anne Lisa Mudde en Sofie Schouwenburg (boek)
Stof tot nadenken